Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2019 in de zaak tussen
[EISER], wonende te [PLAATS], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, verweerder.
Procesverloop
Namens verweerder is [A] verschenen.
Rechtbank Den Haag
Eiser, huurder van een woning, betwist de door verweerder (gemeente Rijswijk) vastgestelde WOZ-waarde van €161.000 voor het tijdvak 2018-2019. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met relevante marktcijfers en verschillen tussen referentiepanden en de woning, en betwist de berekening van gecorrigeerde transactieprijzen en het niet elimineren van VVE-reserves.
De rechtbank constateert een leemte in de rechtsbescherming van de derde belanghebbende, de verhuurder, en past artikel 8:26 Awb Pro van overeenkomstige toepassing toe. De verhuurder is uitgenodigd deel te nemen aan het geding, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van €161.000 juist is vastgesteld, mede doordat onvoldoende inzicht is gegeven in de verwerking van transactiedata en VVE-reserves. Eiser heeft zijn lagere waarde van €145.000 niet aannemelijk gemaakt. Daarom stelt de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie vast op €155.000 en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd van €161.000 naar €155.000 en het beroep van eiser wordt gegrond verklaard.