ECLI:NL:RBDHA:2019:5880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2019
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
C/09/570556 / FA RK 19-2156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voogdij over Nederlandse weeskinderen in Syrisch vluchtelingenkamp

Op 3 april 2019 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voorlopige voogdij over twee jonge Nederlandse weeskinderen, geboren in het kalifaat van IS en verblijvend in een Syrisch vluchtelingenkamp. De kinderen, een jongen en een meisje, zijn wees geworden door het overlijden van beide ouders. De moeder is in januari 2019 overleden aan ondervoeding in het vluchtelingenkamp, terwijl de identiteit van de vader niet kan worden vastgesteld. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de gecertificeerde instelling, Jeugdbescherming, te belasten met de voorlopige voogdij over de kinderen, zodat zij naar Nederland kunnen worden gehaald.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gezien de verbondenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de kinderen, indien uit DNA-onderzoek blijkt dat zij de kinderen van de moeder zijn, recht hebben op de Nederlandse nationaliteit. De tante van de kinderen heeft zich bereid verklaard om voor hen te zorgen en heeft zorgen geuit over hun welzijn in het vluchtelingenkamp.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er een gezagsvacuüm is ontstaan door het overlijden van de ouders en dat het noodzakelijk is om in de belangen van de kinderen te voorzien. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over de kinderen en verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking is openbaar uitgesproken op 3 april 2019 en de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 17 april 2019. Hoger beroep kan worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer
Zaaksgegevens: C/09/570556 / FA RK 19-2156
Datum uitspraak: 3 april 2019

Voorlopige voogdij (ex artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek)

Beschikkingin de zaak naar aanleiding van het op 21 maart 2019 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1] ,geboren in [geboortedatum 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1]
- [minderjarige 2]geboren in [geboortedatum 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen te noemen: de kinderen,
dochter en zoon van:

[de moeder] geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats] .

De identiteit van de vader kan niet worden vastgesteld.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling, [Jeugdbescherming] ,

de beoogd voogdes.
De rechtbank merkt als informant aan:

[Mevrouw A.] ,

hierna te noemen: de tante moederszijde,
wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Bij beschikking van 21 maart 2019 van de kinderrechter in deze rechtbank is de behandeling van het verzoek aangehouden tot deze zitting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- voornoemde beschikking van 21 maart 2019;
- de aanvullende onderbouwing van het verzoek met bijlagen van 27 maart 2019, van de zijde van de Raad.
Op 3 april 2019 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- mevrouw [B] , mevrouw [C] , mevrouw [D] en mevrouw [E] namens de Raad;
- de heer [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling;
- de tante moederszijde.

Feiten

De rechtbank leidt, voor zover dat kan, het volgende af uit de beschikbare stukken:
- De vader en de moeder zijn overleden.
- De kinderen verblijven feitelijk in het vluchtelingenkamp Ain Isa in Noord-Syrië.

Verzoek

Het verzoek strekt er toe de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over de kinderen ex artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de bij het verzoek verstrekte informatie zijn de kinderen geboren in het kalifaat van IS en verblijven zij op dit moment in het vluchtelingenkamp Ain Issa in Noord-Syrië. De moeder is in januari 2019 in dit vluchtelingenkamp overleden aan ondervoeding. Er is nog geen officieel overlijdensbericht. De vader is vermoedelijk een Vlaamse jihadist die eerder zou zijn omgekomen. De Raad wil proberen beide kinderen naar Nederland te halen. De familie moederszijde, met name de oudere zus van de moeder (tante moederszijde), wil zich graag over de kinderen ontfermen. Om de kinderen naar Nederland te kunnen halen is het absoluut noodzakelijk dat in het gezag wordt voorzien. Zonder de toestemming van een wettelijk vertegenwoordiger zullen instanties niet willen en niet kunnen meewerken om de kinderen naar Nederland te halen.
De Raad heeft gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ofwel op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), ofwel op grond van artikel 9 Rv. De Raad heeft ter zitting medegedeeld dat thans nog niet vast staat dat de kinderen daadwerkelijk de kinderen van de moeder zijn. Dat de kinderen van de moeder zijn wordt afgeleid uit de informatie van de tante moederszijde – die hiertoe ook WhatsApp berichten en foto’s heeft overgelegd –.
Indien de rechtbank het onderhavige verzoek toewijst zal op de Nederlandse ambassade in Bagdad of in Erbil een DNA-onderzoek worden uitgevoerd om verwantschap vast te stellen aan de hand van het DNA van de tante moederzijde en de grootmoeder moederszijde.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met het verzochte.
De tante moederszijde heeft ter zitting naar voren gebracht zich ernstige zorgen te maken over het welzijn van de kinderen. Zij heeft zich bereid verklaard om de kinderen op te vangen en te verzorgen.

Beoordeling

Rechtsmacht
Allereerst dient beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoekschrift van de Raad.
De Nederlandse rechter heeft naar het oordeel van de rechtbank rechtsmacht op grond van artikel 5 Rv. Artikel 5 Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter onverminderd artikel 1 Rv in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, waarin hij zich in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Daarvoor is vereist dat de zaak zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland heeft, dat het belang van het kind, dat zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, het noodzakelijk maakt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.
De rechtbank acht zodanige aanknopingspunten aanwezig. Uit de Basisregistratie Personen van de moeder blijkt dat zij de Nederlandse nationaliteit had. Daarom kan worden geconcludeerd dat de kinderen, indien uit DNA verwantschapsonderzoek blijkt dat zij inderdaad de kinderen van de moeder zijn, op grond van artikel 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap eveneens de Nederlandse nationaliteit bezitten. Daar komt bij dat de directe bekende familieleden van de kinderen hun gewone verblijfsplaats in Nederland hebben en zij ondanks de complexe situatie geprobeerd hebben een warme familieband met de moeder en de kinderen op te bouwen en te onderhouden tot aan het overlijden van de moeder. De familie moederszijde is bereid de kinderen op te vangen en op te voeden en zij spannen zich in om de kinderen naar Nederland te halen. Tevens is het van belang dat de tante moederszijde de kinderen zowel via Skype als via spraakberichten op WhatsApp Nederlands heeft horen spreken.
Het is voorts in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn immers pas 3 en 2 jaar oud en verblijven zonder ouders of familie in een vluchtelingenkamp in Syrië, waar de omstandigheden verschrikkelijk zijn, zo blijkt uit de informatie die daarover beschikbaar is. Nu voor zover bekend beide ouders zijn overleden en geen gezagsvoorziening is getroffen, is er niemand die in het belang van de kinderen beslissingen kan nemen, hen bescherming biedt of stappen kan zetten om hen in veiligheid te brengen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De rechtbank acht de zaak zodanig verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, dat zij in staat is de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen, voor zover het gaat om het verzoek de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over hen.
Hoewel er geen geboorteaktes van de kinderen voorhanden zijn en er om die reden thans geen hard bewijs is dat de kinderen uit de moeder zijn geboren, acht de rechtbank dat vooralsnog, mede gelet op de bijlagen bij het verzoekschrift, voldoende aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de omstandigheden waaronder de kinderen verblijven – niet van de Raad kan worden gevergd dat in dit stadium meer bewijs wordt aangeleverd. De rechtbank gaat er vanuit dat de verwantschap zo snel mogelijk middels een DNA-onderzoek op een Nederlandse ambassade zal worden vastgesteld.
Toepasselijk recht
Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de Nederlandse rechter Nederlands recht toe als zijn interne recht.
Relatieve bevoegdheid
Nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Syrië hebben, is deze rechtbank gelet op artikel 269 Rv relatief bevoegd om van het verzochte kennis te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van de inhoud van het verzoekschrift met bijlagen en de verklaringen van de gehoorde personen moet thans van het volgende feit worden uitgegaan:
de kinderen staan niet onder het vereiste wettelijk gezag.
Door het overlijden van beide ouders van de kinderen is sprake van een gezagsvacuüm. Teneinde de belangen van de kinderen te kunnen behartigen, acht de rechtbank het dringend en onverwijld noodzakelijk om in gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien.

Beslissing

De rechtbank:
belast [Jeugdbescherming] met de voorlopige voogdij over de kinderen:
- [minderjarige 1] geboren in [geboortedatum 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren in [geboortedatum 2] ;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Smid-Verhage, mr. E.M.M. Engbers en
mr. P.M.E. Bernini, kinderrechters, in tegenwoordigheid van M.M. Leurs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2019.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 april 2019.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.