ECLI:NL:RBDHA:2019:5374
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning zelfstandige zonder dreigende uitzetting
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid afgewezen gekregen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het afwijzen van eerdere voorlopige voorzieningenverzoeken en het uitstellen van de beslissing op bezwaar, verzocht verzoeker voor de derde maal om een voorlopige voorziening die uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van onverwijlde spoed, hetgeen vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker stelde dat nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder het niet verstrekken van een verblijfssticker, aanleiding waren voor het verzoek. Echter, de rechter concludeerde dat niet is onderbouwd dat een dreigende uitzetting op korte termijn plaatsvindt.
De rechter stelde vast dat verzoeker zijn activiteiten zonder verblijfsvergunning is gestart en dat een beslissing op bezwaar binnen afzienbare termijn te verwachten is. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en dreigende uitzetting.