ECLI:NL:RBDHA:2019:5269
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband vader en kind
Eiser, een Guinese nationaliteit bezittende persoon, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vermeende vader (referent) in Nederland. De referent stelde pas in 2011 op de hoogte te zijn geraakt van zijn vaderschap en onderhoudt sindsdien contact met eiser. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gezinsband.
De rechtbank oordeelde dat het gezinsleven als verbroken kan worden beschouwd indien de vader niet feitelijk voor het kind heeft gezorgd of langdurig geen contact heeft gezocht zonder geldige reden. Hoewel eiser stelde dat er regelmatig contact was en dat referent een substantiële bijdrage leverde aan zijn levensonderhoud, kon dit niet voldoende worden onderbouwd. Foto’s toonden geen gezamenlijk contact, belregistraties betroffen vooral contact tussen referent en eisers moeder, en betalingsbewijzen waren wisselend en deels aan derden overgemaakt.
De moeder van eiser, gehoord als getuige, verklaarde dagelijks contact tussen vader en kind, maar deze verklaring werd niet gevolgd vanwege gebrek aan ondersteuning in het dossier en tegenstrijdigheden met betalingsbewijzen. De rechtbank concludeerde dat de gezinsband onvoldoende was aangetoond en dat de aanvraag terecht was afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband wordt ongegrond verklaard.