ECLI:NL:RBDHA:2019:4651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
9 mei 2019
Zaaknummer
NL19.5010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c VwArt. 3.45b VvArt. 3.116 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende informatie

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit bezittende asielzoeker, diende een opvolgende asielaanvraag in met verwijzing naar gewijzigd beleid en diverse rapporten. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het niet verstrekken van essentiële informatie en het niet reageren op verzoeken om aanvullende gegevens.

Eiser betoogde dat hij voldoende nieuwe feiten had aangevoerd en dat hem geen redelijke termijn was geboden om een zienswijze in te dienen. De rechtbank constateerde dat verweerder het bestreden besluit nam vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van een zienswijze, terwijl eiser na die termijn alsnog een schriftelijke zienswijze indiende.

Omdat verweerder deze zienswijze niet heeft betrokken in zijn besluit, oordeelde de rechtbank dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en vernietigde het. Verweerder moet opnieuw beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot buiten behandeling stellen van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.5010
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

ProcesverloopBij besluit van 28 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen in afwachting van de behandeling van zijn beroep (NL19.5011).
Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 11 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers is geboren op [geboortedatum] en bezit de Gambiaanse nationaliteit. Hij heeft eerder, op 3 juni 2016, een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 6 september 2017 afgewezen. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 26 april 2018 ongegrond verklaard [1] . De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd bij uitspraak van 28 mei 2018 [2] .
2. Op 22 augustus 2018 heeft eiser met het formulier M35-O [3] opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft als reden voor de aanvraag op het formulier M35-O aangekruist dat sprake is van gewijzigd beleid. Daarbij heeft hij verwezen naar de werkinstructie (WI) 2018/9. Daarnaast heeft hij een aantal nieuwsberichten van de NOS en het COC bijgevoegd en de rapporten Fleeing Homophobia van september 2011 en 'Trots of Schaamte’ van juni 2018.
3. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [4] , omdat eiser heeft nagelaten informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor de aanvraag. Eiser heeft onvoldoende informatie verstrekt naar aanleiding van de op het formulier M35-O vermelde vragen. Eiser is bij voornemen gevraagd om aanvullende informatie, maar hij heeft hierop niet gereageerd.
4. Eiser meent dat hij bij de kennisgeving van 22 augustus 2018 voldoende nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat de beoordeling van iemands geaardheid niet deugdelijk werd verricht.
Daarnaast stelt eiser dat hem geen deugdelijke termijn is geboden voor het geven van een zienswijze.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 3.45b van het Vv [5] kan een aanvraag zoals hier aan de orde buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Vw, indien de vreemdeling twee keer heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, van de Wet.
6. Het formulier M35-O geldt als een eerste verzoek om informatie. Verweerder heeft in zijn voornemen terecht overwogen dat eiser niet heeft vermeld waarom de genoemde werkinstructie of de overgelegde rapporten tot een ander oordeel zouden moeten leiden ten aanzien van eisers geaardheid. Op het formulier M35-O is immers ook gevraagd om aan te geven waarom de beleidswijziging ook op eiser van toepassing is.
7. Verweerder heeft eiser met het uitbrengen van het voornemen in de gelegenheid gesteld om binnen één week na dagtekening van het voornemen een zienswijze te geven en met de ontbrekende informatie te komen. Dat betekent dat eiser hiervoor tot en met 28 februari 2019 de gelegenheid had. Vaststaat dat eiser niet binnen die termijn heeft gereageerd. Anderzijds moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit van 28 februari 2019 is genomen vóór het verstrijken van de termijn voor het geven van de zienswijze. Eiser heeft bovendien – onbetwist – gesteld dat hij op 1 maart 2019 een schriftelijke zienswijze heeft ingediend. Uit artikel 3.116, zesde lid, van het Vb [6] volgt dat verweerder rekening houdt met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. In dit geval valt niet uit te sluiten dat de zienswijze op 1 maart 2019 is ingediend vóórdat een beslissing zou zijn genomen. In dat geval dient verweerder de in de zienswijze opgenomen informatie over de opvolgende aanvraag te betrekken in zijn besluit over het buiten behandeling laten van de aanvraag.
8. Nu verweerder de in de zienswijze opgenomen informatie niet heeft betrokken bij zijn besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 3.45b van het Vv. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.
griffier rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, kenmerk: 201803832/1/V2
3.Kennisgeving tweede of volgende asielaanvraag
4.Vreemdelingenwet 2000
5.Voorschrift vreemdelingen 2000
6.Vreemdelingenbesluit 2000