ECLI:NL:RBDHA:2019:4081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2019
Publicatiedatum
25 april 2019
Zaaknummer
C/09/566408
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voortdurende ouderlijke strijd en ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 18 maart 2019 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de resterende termijn tot 22 februari 2020. Dit besluit volgt op een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden en is genomen na gecombineerde behandeling met andere zaken omtrent gezag en zorg.

De rechtbank constateert dat de strijd tussen de ouders voortduurt en vooral oplaait tijdens contactmomenten, waarbij de vader hardnekkig beschuldigingen uit richting de moeder over mishandeling en slechte opvoeding. Ondanks dringende oproepen van de gecertificeerde instelling en de rechtbank om hiermee te stoppen, is er geen verbetering in de communicatie en samenwerking tussen de ouders.

De gecertificeerde instelling en de bijzondere curator zien geen mogelijkheden meer om de samenwerking te verbeteren. Dit gebrek aan respectvolle communicatie en de daardoor ontstane loyaliteitsproblemen vormen een directe bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige. Daarom acht de rechtbank het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd en dat verdere hulpverlening wordt ingezet om de situatie voor het kind te verbeteren.

Daarnaast is er een wisseling van jeugdbeschermer ingezet om de uitvoering van de ondertoezichtstelling te verbeteren, gezien de verstoorde relatie tussen de vader en de huidige jeugdbeschermer. De rechtbank hoopt dat deze maatregel zal bijdragen aan betere resultaten.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd met behoud van de gecertificeerde instelling als uitvoerder, en de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 22 februari 2020.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer
Zaaksgegevens: JE RK 19-96 / C/09/566408
Datum uitspraak: 18 maart 2019

Verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 9 januari 2019 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),
betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,
waarbij als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.M. van Wijk, kantoorhoudende te Honselersdijk,
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.S. Verboom, kantoorhoudende te Den Haag,

Het procesverloop

Bij beschikking van 21 februari 2019 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor korte duur verlengd van 22 februari 2019 tot 30 maart 2019 en het verzoek voor het overige aangehouden. De reden voor de aanhouding was gelegen in het feit dat naast de onderhavige zaak ook andere procedures aanhangig zijn bij deze rechtbank en de kinderrechter het van belang achtte dat die zaken samen met de onderhavige zaak gecombineerd ter zitting zouden worden behandeld door de Meervoudige Kamer. De agenda van de rechtbank maakte het niet mogelijk dat de behandeling ter zitting eerder dan de expiratiedatum van de lopende ondertoezichtstelling plaatsvond.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook van het verweerschrift van de zijde van de vader.
Op 18 maart 2019 is de zaak gecombineerd behandeld met de verzoeken in de zaken JE RK 18-65 / C/09/546071 (Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken) FA RK 19-1384 / C/09/568834 (gezag) FA RK 19-1989 / C/09/570145 (gezagsuitoefening) en JE RK 18-115 / C/09/546505 (verzoek tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing) en in welke zaken bij beschikkingen van 19 april 2019 afzonderlijk zal worden beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
 mevrouw [A.] en de heer [B.] namens de gecertificeerde instelling;
 de vader, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd;
 de moeder, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.
De advocaat van de moeder heeft pleitaantekeningen overgelegd. De bijzondere curator van [minderjarige] , mevrouw drs. [C.] , heeft aangegeven verhinderd te zijn om te verschijnen, maar gedurende de zitting wel telefonisch bereikbaar te zijn voor vragen van de rechtbank.
[minderjarige] is op 1 maart 2019 in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar.
De moeder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en dat de verzochte duur passend en geboden is. Daartoe overweegt de rechtbank dat gebleken is dat de strijd tussen de ouders over [minderjarige] voortduurt en oplaait in de beperkte momenten van contact tussen hen. Met name de vader volhardt in zijn beschuldigingen naar de moeder dat zij een slechte opvoeder is en [minderjarige] mishandelt, in weerwil van de dringende oproepen van de gecertificeerde instelling en de rechtbank zelf om hiermee te stoppen. De gecertificeerde instelling, maar ook de bijzondere curator, zo blijkt uit haar verslag, zien kennelijk geen mogelijkheden meer om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren.
Het gebrek aan een respectvolle communicatie en samenwerking tussen de ouders en de loyaliteitsproblemen voor [minderjarige] die daaruit voortvloeien, vormen een directe ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . De rechtbank acht het van belang dat verdere hulpverlening ingezet wordt voor [minderjarige] , zodat zij minder last heeft van de situatie tussen haar ouders. Voor de ouders moeten verder een duidelijke regeling gelden, met weinig ruimte om daarvan af te wijken, zodat daarover geen discussie kan ontstaan. Gelet daarop is voorlopig nog goede begeleiding nodig vanuit de gecertificeerde instelling om die regeling te ondersteunen en te monitoren.
In dit kader hecht de rechtbank eraan nog op te merken dat de gecertificeerde instelling ervoor heeft gekozen een andere jeugdbeschermer te belasten met de feitelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling gelet op de – in de optiek van de vader – verstoorde verhoudingen tussen de vader en de huidige jeugdbeschermer. De rechtbank hoopt dat deze wisseling tot de gewenste verbetering in de resultaten van de ondertoezichtstelling zullen leiden.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de ondertoezichtstelling voor [minderjarige] verlengen voor de nog resterende periode.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 30 maart 2019 tot 22 februari 2020 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2019 door mr. drs. J.E.M.G van Wezel, mr. M.F. Baaij en mr. P.J. Schreuder, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 april 2019.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.