ECLI:NL:RBDHA:2019:4055
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling samenvoeging bovenwoning en garage als één onroerende zaak voor WOZ
Eiser en zijn echtgenote zijn eigenaar van een pand bestaande uit een bovenwoning en een ondergelegen garage met toilet en kookgelegenheid. Tot en met 2017 werden deze delen afzonderlijk gewaardeerd voor de Wet WOZ, maar vanaf 2018 zijn zij als één onroerende zaak aangemerkt met een gezamenlijke waarde van €600.000.
Eiser maakte bezwaar tegen deze samenvoeging, stellende dat de delen ten onrechte als één object zijn gewaardeerd. De rechtbank stelt vast dat de garage en de woning onderling verbonden zijn, dat zij door dezelfde belastingplichtigen worden gebruikt, en dat de gebruiksmogelijkheden dienstbaar aan elkaar zijn, zoals het gebruik van sanitaire voorzieningen in de bovenwoning door eiser wanneer hij in de garage verblijft.
Op grond van artikel 16 van Pro de Wet WOZ concludeert de rechtbank dat de woning en garage naar omstandigheden bij elkaar horen en als één onroerende zaak moeten worden aangemerkt. Praktische bezwaren over huisnummering zijn irrelevant voor de WOZ-toepassing. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de samenvoeging van de bovenwoning en garage als één onroerende zaak voor de WOZ is ongegrond verklaard.