ECLI:NL:RBDHA:2019:3358
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Ghanese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam dit verzoek niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Nederland heeft Tsjechië verzocht het verzoek terug te nemen, wat Tsjechië heeft aanvaard.
Eiser betwistte de overdracht aan Tsjechië, stellende dat hij daar geen adequate opvang zou krijgen en dat Tsjechië de rechten van vluchtelingen niet naleeft, verwijzend naar rapporten van Amnesty International en een lopende inbreukprocedure van de Europese Commissie. Verweerder stelde dat Tsjechië gebonden is aan Europese asielrichtlijnen en dat het terugnameverzoek is geaccepteerd met de toezegging de opvangverplichtingen na te komen.
De rechtbank oordeelde dat de rapporten en inbreukprocedure geen aanleiding geven aan te nemen dat Tsjechië ernstige fouten maakt in de asielprocedure of opvang die tot een schending van het Handvest van de grondrechten van de EU leiden. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt het vertrouwen dat Tsjechië de verplichtingen niet zal schenden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Sinack en griffier Loonstra en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.