Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
95,9gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende
MDMAen/of
10,1gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of
150,3gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende Amfetamine;
3.Bewijsoverwegingen
- de 194 tabletten bevatten MDMA;
- de netto 150 gram witte pastasubstantie (uit plastic bak) bevat amfetamine;
- de netto 0,3 gram witte pastasubstantie in een gripzakje bevat amfetamine;
- de netto 43 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;
- de netto 29,5 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;
- de (totaal) netto 11,8 gram in 17 kleine gripzakjes bevatten MDMA;
- de netto 7 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;
- de netto 4,6 gram beige kristallen (uit zakje) bevatten MDMA;
- de (totaal) netto 1,5 gram in 4 gripzakjes met een witte brokkelige substantie bevat cocaïne;
- de netto 8 gram uit een gripzakje met daarin fijn wit poeder bevat cocaïne en mannitol;
- de (totaal) netto 0,4 gram in 2 ponypacks met daarin een wit poeder bevat cocaïne;
- de netto 0,2 gram witte brokjes in 1 gripzakje bevat cocaïne;
- de 5 gram beige substantie in een gripzakje bevat amfetamine.
van een materiaal bevattendeamfetamine’. Om eenzelfde reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om uit te gaan van de door verdachte aangevoerde kleinere hoeveelheid cocaïne.
95,9gram van een materiaal bevattende
MDMAen
10,1gram van een materiaal bevattende cocaïne en
150,3gram van een materiaal bevattende
amfetamine;
enals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
enals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
enals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
first offenderdie de feiten heeft begaan in een relatief beperkte periode. Zij heeft haar handelen bekend en neemt daarvoor de verantwoordelijkheid. Bovendien zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ingrijpende negatieve consequenties hebben voor de voor haar zo belangrijke opleiding.
first offenderis. Ook weegt zij mee dat verdachte een bijbaan heeft en een opleiding volgt. De reclassering heeft in haar rapport van 15 oktober 2018 geadviseerd tot een (deels) voorwaardelijke straf en daarbij gewezen op de opleiding die verdachte volgt, die zij mogelijk niet succesvol kan afronden bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij ziet als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname) en het meewerken aan schuldhulpverlening. Het risico op het onttrekken aan deze voorwaarden is door de reclassering als laag ingeschat, nu verdachte zich zeer coöperatief opstelt en zich gemotiveerd tot verandering toont. Het risico op recidive is in een aanvullend rapport van 17 december 2017 ingeschat op laag tot gemiddeld.
7.De toepasselijke wetsartikelen
8.De beslissing
6 (ZES) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde: