ECLI:NL:RBDHA:2019:3299
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel verblijf bij zijn broer, die medische hulp behoeft. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat er sprake was van een beschermingswaardig gezinsleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid, onderbouwd met verwijzingen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en medische klachten. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij exclusief afhankelijk was van zijn broer voor zorg en dat ook andere familieleden zorg verleenden. Daarnaast was de financiële afhankelijkheid niet concreet onderbouwd.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het beleid in de WBV 2014/33, en concludeerde dat het toetsingskader helder is en dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.