ECLI:NL:RBDHA:2019:3295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2019
Publicatiedatum
4 april 2019
Zaaknummer
nl19.2145
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMVluchtelingenverdragDublin-verdrag
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Zwitserland

Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend bij Nederland, maar deze is niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van het Dublin-verdrag. Eiser verzet zich tegen overplaatsing naar Zwitserland uit vrees voor uitzetting naar Eritrea en betoogt dat Zwitserland zijn asielprocedure niet adequaat behandelt.

De rechtbank overweegt dat Zwitserland gebonden is aan internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement volgens artikel 3 EVRM Pro, en dat er geen aanwijzingen zijn dat Zwitserland daadwerkelijk uitzet naar Eritrea. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen effectieve rechtsgang meer heeft in Zwitserland of bij het EHRM.

De rechtbank concludeert dat Nederland terecht heeft geweigerd de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.2145
v-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL19.2146, plaatsgevonden op 14 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .
2. Niet in geschil is dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming, omdat eiser daar eerder tevergeefs asiel heeft gevraagd en Zwitserland het verzoek om terugname op die grond heeft aanvaard.
3. Eiser wil echter niet aan Zwitserland worden overgedragen omdat hij verwacht daar te zullen worden uitgezet naar Eritrea. Anders dan Nederland vindt Zwitserland een illegale uitreis uit Eritrea namelijk onvoldoende om een asielaanvraag in te willigen. Eiser stelt verder eerder tevergeefs de rechtsgang bij het EHRM te hebben beproefd, zodat er in Zwitserland geen effectieve rechtsgang meer openstaat. Hij vraagt verweerder om de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.
4. De rechtbank overweegt dat Zwitserland met het claimakkoord heeft toegezegd de asielaanvraag te zullen behandelen met inachtneming van zijn internationale verplichtingen zoals die volgen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. De enkele omstandigheid dat Zwitserland geen vreemdelingen uit Eritrea toelaat op de enkele grond dat zij illegaal uit hun land zijn vertrokken, laat onverlet dat Zwitserland is gebonden aan het verbod van refoulement zoals dat is neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft in dat verband terecht gewezen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. De vraag naar de toelaatbaarheid van het Zwitserse asielbeleid is niet aan de orde. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in eerdere uitspraken overwogen dat Zwitserland niet uitzet naar Eritrea. Niet is gebleken van aanwijzingen dat dat nu anders is. Daarbij heeft eiser opnieuw de mogelijkheid om zich in Zwitserland tot de rechter te wenden over de uitkomst van zijn asielprocedure.
6. De rechtbank merkt nog op dat uit de correspondentie met zijn Zwitserse asieladvocaat blijkt dat eerder is afgezien van een gang naar het EHRM. Daarbij zijn er aanwijzingen dat dit verband hield met de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over de illegale uitreis uit Eritrea. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in het algemeen niet de mogelijkheid heeft om vanuit Zwitserland bij het EHRM te procederen over het Zwitserse asielbeleid.
7. Verweerder heeft in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding te zien om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier, op 14 maart 2019.
Dit proces-verbaal is aan partijen verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van de verzending van het proces-verbaal.