ECLI:NL:RBDHA:2019:3209
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens onvoldoende bewijs van drie maanden gezinsleven in België
Eiseres, met de Indiase nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, afgeleid van het verblijfsrecht van haar echtgenoot, een Nederlandse EU-onderdaan. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk gedurende ten minste drie maanden onafgebroken in België heeft verbleven en daar een gezinsleven met haar echtgenoot heeft opgebouwd.
De rechtbank overwoog dat hoewel eiseres was ingeschreven in het vreemdelingenregister in Lier en een verblijfsvergunning had ontvangen, deze administratieve gegevens onvoldoende bewijs vormden voor het vereiste verblijf en gezinsleven. Ook andere bewijsstukken zoals huurcontracten, bankafschriften en salarisstroken boden geen concrete aanwijzingen dat zij daadwerkelijk samenwoonden en een gezinsleven hadden gedurende de vereiste periode.
Eiseres voerde aan dat zij onterecht niet is gehoord op haar bezwaarschrift, maar de rechtbank stelde dat het aan eiseres was om met bewijsstukken haar verblijf en gezinsleven aan te tonen. Een mondelinge toelichting zou hieraan niets hebben toegevoegd.
Gelet op het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.