ECLI:NL:RBDHA:2019:301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2019
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7921
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening VOG

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) door de Minister voor Rechtsbescherming. Nadat verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaarde en alsnog de VOG toekende, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in.

Verzoeker vorderde vervolgens dat verweerder in de proceskosten van de procedure werd veroordeeld. Verweerder verzette zich hier niet tegen en gaf toestemming om zonder zitting uitspraak te doen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder aan verzoeker tegemoet was gekomen conform de wettelijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom werd de proceskostenveroordeling toegewezen, waarbij verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter G. van Zeben-de Vries op 16 januari 2019 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 18/7921

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 januari 2019 in de zaak tussen

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: B.H. Duits).

Procesverloop

Bij brief van 3 december 2018 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 27 november 2018, waarbij verweerder de aanvraag van verzoeker om toewijzing van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) heeft afgewezen. Verzoeker heeft tegen dat besluit tevens een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 14 december 2018 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en besloten dat de aanvraag om een VOG alsnog wordt ingewilligd.
Naar aanleiding van dit besluit heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening bij brief gedateerd 17 december 2018 ingetrokken.
Tevens heeft verzoeker verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Bij brief van 17 december 2018 is verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op laatstgenoemd verzoek. Verweerder heeft bij brief gedateerd 8 januari 2019 gereageerd.
In deze brief deelt verweerder mede dat hij zich niet verzet tegen een veroordeling in de proceskosten en geeft hij de voorzieningenrechter toestemming op zonder zitting op het verzoek om proceskosten uitspraak te doen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoet gekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs dienden te worden gemaakt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij besluit van 14 december 2018 het bezwaar van verzoeker gegrond heeft verklaard en heeft besloten dat zijn aanvraag om een VOG alsnog wordt ingewilligd. Daarmee is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het kader van de thans voorliggende procedure aan verzoeker tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom toegewezen.
Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt 1 punt toegekend voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde van € 512,- per punt en een wegingsfactor 1.
De voorzieningenrechter zal tevens bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 512,- te betalen aan verzoeker;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,-, aan verzoeker vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.