ECLI:NL:RBDHA:2019:30
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens toerekenbare te late aanvraag verlenging verblijfsvergunning asiel
Eiseres had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op 19 november 2017 verliep. Zij diende de aanvraag tot verlenging pas op 8 december 2017 in, waardoor een verblijfsgat ontstond. De rechtbank moest beoordelen of deze te late indiening aan eiseres kon worden toegerekend.
Eiseres voerde aan dat haar psychische problematiek, waaronder een posttraumatische stressstoornis en depressieve klachten, haar belemmerde tijdig de aanvraag in te dienen. Zij overlegde medische verklaringen en een verslag van ambulante hulpverlening ter onderbouwing. De rechtbank stelde vast dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen of de te late indiening aan eiseres is toe te rekenen.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs boden dat de psychische problemen zodanig ernstig waren dat tijdige indiening onmogelijk was. Ook de wisselingen van hulpverleners betroffen niet de relevante periode. Verweerder hoefde zijn belang bij de ingangsdatum van de verblijfsvergunning niet nader toe te lichten. Het verblijfsgat was dan ook aan eiseres toe te rekenen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlenging van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard wegens toerekenbare te late indiening.