ECLI:NL:RBDHA:2019:2816
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende asielzoeker die behoort tot de LHBT-gemeenschap, diende op 13 december 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Duitsland had eerder een verzoek tot terugname van eiser geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat hij in Duitsland geen toegang had tot rechtsbijstand en dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid en psychische problemen ernstig kwetsbaar is. Hij stelde dat overdracht aan Duitsland een ernstige verslechtering van zijn gezondheid zou betekenen, in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Duitsland of dat overdracht een reëel en bewezen risico op onmenselijke behandeling inhoudt. De medische stukken toonden geen objectieve gegevens die een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand bij overdracht aantonen. Ook is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verzoek tot in behandeling neming van de asielaanvraag heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.