Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen
[naam] (eiser 1), [naam 2] (eiseres 1),
[naam 5](eiser 3),
[naam 6](eiseres 3),
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die hun aanvragen voor machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel hebben afgewezen. De aanvragen betroffen de ouders en minderjarige broers en zussen van een asielgerechtigde uit Eritrea.
De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat de identiteit van de gestelde ouders en hun familierechtelijke relatie met de asielgerechtigde niet aannemelijk zijn gemaakt. Ook voor de minderjarige broers en zussen is de aanvraag afgewezen omdat zij niet van de ouders worden gescheiden en de ouders geen mvv krijgen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen bewijsnood heeft aangenomen omdat de gestelde ouders geen officiële identiteitsdocumenten konden overleggen en geen gedetailleerde, op de persoonlijke situatie toegespitste verklaring daarvoor hebben gegeven. De overgelegde indicatieve documenten, waaronder pasfoto’s, UNHCR-kaart en verklaringen van vluchtelingenorganisaties, bieden onvoldoende bewijs voor identiteit en familierechtelijke relatie. De doopaktes zijn vals of niet bevoegd opgemaakt en zeggen niets over de relatie met de asielgerechtigde.
Daarom was het niet noodzakelijk om aanvullend onderzoek zoals DNA-onderzoek aan te bieden. Het beroep op schending van de hoorplicht faalt omdat het redelijk was om geen aanvullend onderzoek te doen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtigingen tot voorlopig verblijf voor nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.