ECLI:NL:RBDHA:2019:2335
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte mensenhandel wegens onvoldoende bewijs dwang en uitbuiting
De rechtbank Den Haag behandelde een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van mensenhandel met betrekking tot twee jonge vrouwen. De tenlastelegging betrof seksuele uitbuiting, waaronder het werven, het doen beschikbaar stellen voor prostitutie en het profiteren van de opbrengsten van seksuele handelingen. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 40 maanden en gedeeltelijke schadevergoedingen voor de benadeelden.
Tijdens het onderzoek en de zittingen werden verklaringen van de slachtoffers en getuigen aangevoerd, evenals financiële gegevens en andere bewijsmiddelen. De slachtoffers verklaarden onder meer dat zij door de verdachte onder dwang en misbruik van hun kwetsbare positie tot prostitutie werden gedwongen en dat de verdachte hen mishandelde en financieel uitbuitte.
De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van de slachtoffers onvoldoende werden ondersteund door onafhankelijk bewijs. Er was geen overtuigend bewijs van dwang, geweld of misbruik dat wettig en overtuigend bewezen kon worden. De financiële transacties en verklaringen van getuigen boden onvoldoende steun voor de aantijgingen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, aangezien verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank besloot tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en wees de gevangenneming af. De benadeelde partijen werden veroordeeld in de kosten van de verdediging van verdachte, begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor mensenhandel.