ECLI:NL:RBDHA:2019:2203
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opschorting van vertrek wegens onvoldoende medische noodsituatie
Verzoeker, een Iraanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die werd afgewezen. Tegen het besluit tot niet-opschorting van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 maakte hij bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De staatssecretaris baseerde zijn besluit op medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA), die concludeerden dat verzoeker ondanks psychische klachten niet in een acute medische noodsituatie verkeert die opschorting rechtvaardigt. Verzoeker betwistte dit en overhandigde aanvullende medische stukken, maar deze leverden geen nieuwe feiten op die het BMA-advies ontkrachten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn medische situatie zodanig verslechterd was dat opschorting gerechtvaardigd is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-opschorting van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.