ECLI:NL:RBDHA:2019:21
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking marktvergunning wegens niet persoonlijk innemen standplaats
Verzoeker had een marktvergunning voor meerdere standplaatsen op het marktterrein in Den Haag, welke per 15 december 2018 werd ingetrokken door het college van Burgemeester en Wethouders wegens overtreding van artikel 3:2, derde lid van het Marktreglement. Dit artikel verplicht de vergunninghouder zijn standplaats persoonlijk in te nemen gedurende de gehele marktdag.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij arbeidsongeschikt was en een verzoek had ingediend om de vergunning over te schrijven op zijn compagnon, en dat afwijking van de verplichting tot persoonlijk innemen mogelijk is bij bijzondere omstandigheden. Tevens voerde hij aan dat intrekking in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel en dat de begunstigingstermijn onredelijk kort was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan de verplichting en er geen zicht was op legalisatie. Ook achtte de rechter het handhavend optreden niet onevenredig gezien het algemeen belang en de herhaalde waarschuwingen aan verzoeker. Het bezwaar van verzoeker werd voorlopig niet kansrijk geacht.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter G. van Zeben-de Vries op 3 januari 2019 en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de marktvergunning wordt afgewezen.