Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende op 17 oktober 2015 een asielaanvraag in met het argument dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid gevaar loopt in Irak. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zijn homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig werd geacht, een beslissing die in rechte standhield.
Op 28 december 2018 diende eiser een opvolgende asielaanvraag in, waarin hij stelde dat hij in Nederland een partner heeft en contacten onderhoudt met het COC. Verweerder wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod van twee jaar op, stellende dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid nog steeds niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe werkinstructie WI 2018/9 geen beleidswijziging inhoudt en dat het zwaartepunt van de beoordeling ligt bij de persoonlijke beleving en verklaringen van eiser. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende overtuigende en gedetailleerde verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en relatie had gegeven. Ook de overgelegde brieven en foto’s konden het oordeel niet veranderen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.