ECLI:NL:RBDHA:2019:1905
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning afgewezen wegens vaste woon- en verblijfplaats in vluchtelingenkamp Duhok
Eiser, van Iraakse nationaliteit en behorend tot de Yezidi-minderheid, heeft asiel aangevraagd in Nederland. Hij vluchtte in 2014 uit Irak en verbleef daarna twee jaar in een dorp in de provincie Duhok, gevolgd door ongeveer twee jaar in het vluchtelingenkamp Sharia in Duhok, onderdeel van de Koerdische Autonome Regio (KAR).
Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens het beleid worden Yezidi’s in Irak als kwetsbare minderheid beschouwd, behalve wanneer zij woonachtig zijn in de KAR, waar bescherming mogelijk wordt geacht.
De kern van het geschil betrof de vraag of het verblijf in het vluchtelingenkamp als vaste woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. De rechtbank stelde vast dat eiser vier jaar in de KAR verbleef, waarvan twee jaar in het kamp, met toegang tot onderwijs en werk, en zonder aanwijzingen van gevaar of onderduiken. Het kamp bood voldoende basisvoorzieningen en werd niet als ongeschikte woonplaats aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat Duhok de vaste woon- en verblijfplaats van eiser is, waardoor hij niet tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het verblijf in het vluchtelingenkamp als vaste woon- en verblijfplaats geldt.