De werknemer, sinds 1990 in dienst en algemeen directeur sinds 2009, verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, met toekenning van transitie- en billijke vergoeding en vernietiging van het non-concurrentiebeding.
De werkgever verzocht ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, waaronder vermeende diefstal en weigering taken te vervullen. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsverhouding verstoord is en ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2019.
Ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever werd niet vastgesteld, waardoor geen vergoeding werd toegekend. Het non-concurrentiebeding en non-relatiebeding werden gedeeltelijk vernietigd vanwege onbillijke benadeling van de werknemer, met beperking van duur en geografische reikwijdte.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De werknemer kreeg gelegenheid om zijn ontbindingsverzoek in te trekken, waarna de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2019 met transitievergoeding van €62.207 zou eindigen.