ECLI:NL:RBDHA:2019:1824
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eisers, Syrische ouders en meerderjarige zussen van de referent, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op grond van familie- en gezinsleven. De aanvraag werd afgewezen omdat volgens de staatssecretaris geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
Eisers voerden aan dat zij vanwege medische klachten en verslechterende gezondheid afhankelijk zijn van de referent, die tot 2015 als inwonende mantelzorger fungeerde en nu vanuit Nederland zorg en financiële ondersteuning biedt. De rechtbank overwoog dat hoewel er medische zorg nodig is, niet is aangetoond dat eisers niet zelfstandig kunnen functioneren zonder de referent. Ook is niet gebleken dat de zussen geen deel van de zorg kunnen overnemen.
De rechtbank volgde de staatssecretaris en oordeelde dat de eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referent.