ECLI:NL:RBDHA:2019:1606
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens verbroken gezinsband na huwelijk meerderjarig kind
Eiseres, een meerderjarige dochter met Iraanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij haar vader, die een verblijfsvergunning asiel heeft.
De staatssecretaris stelde dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar vader verbroken is omdat zij gehuwd was en de zorg draagt voor haar zoon uit dat huwelijk. Volgens het beleid wordt herstel van een verbroken gezinsband niet aangenomen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich op dit standpunt kon stellen, mede omdat eiseres na haar scheiding weliswaar weer bij haar ouderlijk huis woont, maar dit geen herstel van de gezinsband betekent.
De rechtbank wijst ook het beroep af dat op grond van artikel 8 EVRM Pro een andere beoordeling zou moeten plaatsvinden, omdat de Vreemdelingenwet buiten artikel 29 lid 2 geen Pro grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning op die basis. Verder kan eiseres geen rechtstreeks beroep doen op artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook is de hoorplicht niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.