ECLI:NL:RBDHA:2019:1559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
NL19.3952
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III)Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 Dublin III
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verordening afgewezen

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland heeft Slovenië om terugname van de asielaanvraag verzocht en dit verzoek is geaccepteerd.

Eiser betoogt dat hij in Slovenië niet goed werd behandeld en dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij verwijst naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar de rechtbank stelt vast dat deze situatie wezenlijk verschilt, onder meer door medische problematiek die in deze zaak niet speelt.

De rechtbank overweegt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat Slovenië niet adequaat zal handelen. Eiser is hierin niet geslaagd. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet inhoudelijk behandeld door Nederland. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.3952

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser op 30 januari 2019 met onbekende bestemming is vertrokken.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser stelt dat hij in Slovenië niet goed werd behandeld. Hij heeft slechte herinneringen aan zijn verblijf in Slovenië. Asielzoekers vallen daar erg op gezien de homogene bevolkingssamenstelling die bovendien strenger en minder vriendelijk is voor asielzoekers. Eiser beroept zich voorts op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 20 november 2018 (NL18.19609). Verweerder dient dan ook eisers asielaanvraag aan zich te trekken.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank houdt het er voor dat eiser contact heeft met zijn gemachtigde.
In beginsel mag verweerder ten opzichte van Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat in zijn geval niet kan. Daarin is eiser niet geslaagd.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de gronden in beroep goeddeels een herhaling zijn van hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Verweerder is daar in het bestreden besluit ook gemotiveerd op ingegaan. Het feitencomplex in de uitspraak waarnaar eiser verwijst betreft onder meer medische problematiek en verschilt aanmerkelijk van de situatie van eiser. Het beroep op die uitspraak faalt daarom.
Er bestaat dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van het de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder was dientengevolge ook niet gehouden om eisers asielaanvraag inhoudelijk in behandeling te nemen met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid, als neergelegd in artikel 17 van Pro Dublin III.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.