Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 december 2018;
- de producties van Roche c.s., ingekomen ter griffie op 21 december 2018, met productie 1 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord, ingekomen ter griffie op 21 januari 2019, met productie 1 tot en met 33;
- de aanvullende productie 34 van Mundipharma, ingekomen ter griffie op 22 januari 2019;
- de akte houdende overlegging aanvullende producties van Roche c.s., ingekomen ter griffie op 23 januari 2019, met productie 33 tot en met 36;
- de aanvullende producties 35 en 36 van Mundipharma, ingekomen ter griffie op 28 januari 2019;
- de mondelinge behandeling van 1 februari 2019 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van Roche c.s. en Mundipharma.
2.De feiten
“A composition comprising anti-HER2 antibodies”. EP 455 is verleend op 22 maart 2006 op een aanvraag van 3 mei 1999 en doet een beroep op het prioriteitsdocument US 84459 P gedateerd 6 mei 1998. Het Octrooi is in Nederland van kracht tot en met 2 mei 2019. Hoffmann-La Roche is exclusieve licentienemer onder EP 455.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Bevoegdheid
zonderiets te zeggen over de gebruikte analysemethode: “
In the compositions of the invention as defined in claim 1 the amount of the acidic variant(s) in the composition is less than about 25% and preferably less than about 20%, e.g. in the range from about 1% to about 18%.”
voorbeeld(“
e.g.”) en tussen haakjes wordt genoemd: “
An "acidic variant' is a variant of a polypeptide of interest which is more acidic (e.g. as determined by cation exchange chromatography) than the polypeptide of interest.”
An example of an acidic variant is a deamidated variant.”.De definitie lijkt daarom bewust breed te zijn geformuleerd en juist niet beperkt tot bepaalde zure varianten (aangetoond met een bepaalde analysemethode), zoals Roche c.s. thans ingang probeert te doen vinden.
The following examples are offered by way of illustration and not by way of limitation.”.
A BAKERBOND WIDEPORETM CSx HPIEX column (4.6 x 250mm)”) maar is het Octrooi volgens haar niet tot een specifieke (chromatografie) kolom beperkt (dagvaarding 3.33, 4e zin; pleitnota Roche c.s. 3.5, laatste zin). Het laat zich in die context voor een derde raden met welke kolom het percentage, dat dus kennelijk niet absoluut is volgens Roche c.s., bepaald zou moeten worden. Daarbij wordt zijn speurtocht naar de juiste analysemethode ook nog eens bemoeilijkt door het feit dat de enige specifiek genoemde Bakerbond-kolom, al sinds 2001 niet meer te krijgen is. Die speurtocht had Roche c.s. kunnen voorkomen. Roche c.s. was namelijk al tijdens de verleningsprocedure van het Octrooi ervan op de hoogte dat de in het voorbeeld genoemde kolom niet meer verkrijgbaar was. Het had op haar weg gelegen om – voor zover de oorspronkelijke aanvrage daartoe basis bood – in de conclusies van het Octrooi nader te specificeren welke analysemethode dient te worden gebruikt. De onzekerheid wordt nog vergroot doordat Roche c.s. in wezen thans haar inbreukbewijs afrondt door een vergelijking met “het referentieproduct” Herceptin te maken (pleitnota Roche c.s., punt 3.32 en dagvaarding 3.33). Zij stelt daar dat de resultaten van een andere analysemethode dan die van voorbeeld 1 – welke als gezegd niet meer beschikbaar is – kunnen worden gebruikt zolang de gemiddelde vakman die maar “afzet tegen de antilichaamsamenstelling als geopenbaard in het Octrooi” althans hij die resultaten moet “correleren met de gegevens uit het Octrooi” (pleitnota 3.5 Roche c.s.). Het hoeft weinig betoog dat die aanpak tot aanzienlijke rechtsonzekerheid leidt, al was het omdat het “referentieproduct” niet nauw omschreven is (zie ook hierna) en de grenzen van de bescherming zo nogal arbitrair worden (de vraag is immers wat dat “afzetten” of “correleren” precies inhoudt).