ECLI:NL:RBDHA:2019:14493

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2019
Publicatiedatum
27 januari 2020
Zaaknummer
C/09/582686 / FA RK 19-7984
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen in zorg- en gezagszaak minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot wijziging van voorlopige voorzieningen omtrent de zorg en toevertrouwing van zijn minderjarige kind, geboren in 2012 in de Verenigde Staten. De vader wilde dat de minderjarige aan hem werd toevertrouwd en dat hij vervangende toestemming kreeg om met het kind naar de VS te reizen. Tevens verzocht hij om dwangsommen bij niet-naleving.

De moeder voerde verweer en stelde dat het verzoek aangehouden moest worden in afwachting van een teruggeleidingsprocedure en dat er vermoedens waren van seksueel misbruik door de vader, wat een politieonderzoek vereiste. De rechtbank zag echter geen reden om de zaak aan te houden en oordeelde dat de vader reeds een titel had om het kind mee terug te nemen naar de VS, waardoor zijn verzoek tot vervangende toestemming en afgifte van reisdocumenten niet relevant was.

De rechtbank stelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de VS is en dat definitieve beslissingen over hoofdverblijfplaats, gezag en zorgregeling door de bevoegde Amerikaanse rechter moeten worden genomen. Het was niet in het belang van het kind om nu de voorlopige voorzieningen te wijzigen. De verzoeken van de vader en de daaraan gekoppelde dwangsommen werden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten besloot de rechtbank deze te compenseren tussen de echtelieden, zodat ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters op 30 december 2019.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen wordt afgewezen en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 19-7984
Zaaknummer: C/09/582686
Datum beschikking: 30 december 2019

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 23 oktober 2019 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,
wonende te [woonplaats Y] Verenigde Staten van Amerika,
advocaat: mr. M.T. Wernsen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X]

de moeder,
wonende te [woonplaats X] ,
advocaat: mr. E. Kim-Meijer te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift.
De minderjarige [minderjarige] heeft op 20 november 2019 in raadkamer – in het bijzijn van mevrouw drs. I. Sandig, die als bijzondere curator is benoemd in de teruggeleidings-procedure met na te noemen kenmerk – met de kinderrechters gesproken.
Op 20 november 2019 zou de zaak samen met het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige] naar de Verenigde Staten van Amerika (C/09/582587) en het verzoek van de vader tot vervangende toestemming om met [minderjarige] naar de Verenigde Staten van Amerika te reizen (C/09/582137) ter zitting van de meervoudige kamer inhoudelijk worden behandeld.
De behandeling ter zitting van voornoemde zaken is aangehouden in verband met het verzoek van de moeder tot wraking van de voltallige meervoudige kamer.
De wrakingskamer van deze rechtbank heeft op 2 december 2019 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek en heeft bepaald dat het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Op 12 december 2019 is de behandeling van voornoemde drie zaken ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet.
Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, de heer [naam tolk 1] ;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mevrouw [naam tolk 2]
  • de bijzondere curator;
  • mevrouw [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming;
  • mevrouw [medewerker Leger des Heils] namens Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
Van de zijde van de vader zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Verzoek en verweer

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 juni 2019 is – voor zover hier aan de orde – :
- conform de afspraak tussen de ouders bepaald dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika, aan de moeder zal worden toevertrouwd;
- conform de afspraak tussen de ouders bepaald dat de vader voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben op de dagen dat de vader in Nederland verblijft;
- het verzoek ten aanzien van de afgifte van het paspoort van de vader aan de moeder, het verzoek tot het vaststellen van een voorlopige kinderalimentatie en het verzoek tot het vaststellen van een voorlopige partneralimentatie door de rechtbank afgewezen.
De vader verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank thans:
Primair:
[minderjarige] zal toevertrouwen aan de vader;
het tijdstip van de uitspraak schriftelijk vastlegt en bepaalt dat [minderjarige] en zijn paspoorten en zijn social security card binnen 24 uur na de uitspraak aan de vader dienen te worden overgedragen door de moeder, en door een ieder die [minderjarige] onder zich heeft, zodat de vader met [minderjarige] naar de VS kan reizen;
een dwangsom oplegt aan de moeder van € 1.000,- voor iedere dag of deel van een
dag dat [minderjarige] (met de paspoorten en social security card) nadien niet is overgedragen aan de vader;
bepaalt dat de vader de politie kan inschakelen om de overdracht van [minderjarige] (met
de paspoorten en de social security card) te laten plaatsvinden;
Subsidiair:
een voorlopige zorgregeling vaststelt die inhoudt dat de vader al zijn vrije dagen de
zorg voor [minderjarige] zal dragen in de woning, hotelkamer of gehuurde woonruimte van de vader en dat wanneer dat aantal dagen niet de helft van het aantal dagen van die maand bedraagt, het aantal dagen dat het minder dan de helft bedroeg, wordt ingehaald in de volgende maand, dan wel bepaalt dat de moeder de beschikking van 12 juni 2019 dient na te komen, dan wel een zelfde zorgregeling vast te leggen als in die beschikking is gedaan;
bepaalt dat aan de moeder een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- wordt opgelegd
voor iedere dag of deel van een dag dat [minderjarige] (met de paspoorten en social security card) niet is overgedragen aan de vader wanneer hij in Nederland is, conform de beschikking van 12 juni 2019;
bepaalt dat de vader de politie kan inschakelen om de overdracht van [minderjarige] (met
de paspoorten en de social security card) aan de vader te laten plaatsvinden;
En tevens:
de vader vervangende toestemming geeft om met [minderjarige] naar de Verenigde
Staten te reizen;
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt de vader te veroordelen in alle kosten van de procedure.

Beoordeling

Wijziging voorlopige voorzieningen
Ingevolge artikel 824 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking waarbij voorlopige voorzieningen zijn getroffen, worden gewijzigd indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Gelet op de tekst en strekking van deze bepaling kan niet iedere wijziging van omstandigheden en niet iedere onjuistheid van de oorspronkelijke gegevens tot wijziging van de beschikking leiden. Alleen in evidente gevallen is een wijziging gerechtvaardigd.
De vader verzoekt de getroffen voorlopige voorzieningen te wijzigen, nu er volgens de vader sprake is van gewijzigde omstandigheden. De vader heeft – kort weergegeven – de volgende gewijzigde omstandigheden naar voren gebracht. De moeder houdt zich volgens de vader niet aan de beslissingen die de rechtbank in [plaatsnaam rechtbank] heeft genomen én de moeder houdt zich ook niet aan de beschikking van 12 juni 2019. Hiermee frustreert de moeder het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Hiernaast heeft de moeder de vader (tijdens de zitting in kort geding op 15 oktober 2019) valselijk beschuldigd van seksueel misbruik. Verder is volgens de vader de periode waarover de ouders hadden afgesproken dat [minderjarige] in Nederland zou verblijven – 2 september 2018 tot 31 juli 2019 – inmiddels voorbij. Tot slot handelt de moeder in strijd met de belangen dan [minderjarige] . Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat de voorlopige voorzieningen worden gewijzigd, zodat [minderjarige] bij de vader kan verblijven. Bij toevertrouwing van [minderjarige] aan de vader hebben de vader en [minderjarige] er verder belang bij dat de vader vervangende toestemming krijgt om met [minderjarige] naar de VS te reizen, aldus de vader.
De moeder stelt primair dat het verzoek, zoals te doen gebruikelijk, moet worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de teruggeleidingsprocedure. Verder heeft de moeder hetgeen de vader stelt gemotiveerd betwist. Volgens de moeder is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden waardoor de beschikking van 12 juni 2019 moet worden gewijzigd. De moeder heeft ook aangevoerd dat zij het sterke vermoeden heeft dat sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarige] door de vader. Volgens de moeder moet het politieonderzoek worden afgewacht en is contact tussen de vader en [minderjarige] nu niet in het belang van [minderjarige] .
De rechtbank stelt voorop dat zij in dit geval geen aanleiding ziet om de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de teruggeleidingsprocedure. De beslissing die de rechtbank in deze procedure moet nemen behelst immers niet het treffen van een ‘gezagsmaatregel ten gronde’.
De rechtbank zal het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen afwijzen. Bij afzonderlijke beschikking in de HKOV-procedure heeft de rechtbank de teruggeleiding van [minderjarige] naar de Verenigde Staten van Amerika gelast. Hiermee heeft de vader een titel om [minderjarige] mee terug te nemen naar de VS met de benodigde reisdocumenten, mocht de moeder niet aan die verplichting voldoen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De vader heeft daarmee geen belang bij zijn verzoek tot vervangende toestemming voor het afreizen met [minderjarige] naar de VS en tot afgifte van de benodigde reisbescheiden. De overige verzoeken hebben betrekking op een voorlopige zorgregeling en toevertrouwing van [minderjarige] .
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in de VS is, zullen door de daar bevoegde rechter definitieve beslissingen moeten worden genomen omtrent de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling. Omdat op dit moment nog onduidelijk is of de moeder met [minderjarige] zal terugkeren naar de VS acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om nu vooruitlopend op de beslissingen in bodemprocedure(s) in de VS de voorlopige voorzieningen te wijzigen.
De verzoeken van de vader en de daaraan gekoppelde dwangsommen worden daarom afgewezen.
Proceskosten
In de omstandigheid dat de vader en de moeder echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren. Het andersluidende verzoek van de moeder wordt daarmee afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de verzoeken van de vader;
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, J.Th.W. van Ravenstein en J.C. Sluymer, rechters, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 december 2019.