Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:14344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
15 januari 2020
Zaaknummer
C/09/583724 FA RK 19-8567
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Haags KinderbeschermingsverdragArt. 15 Haags KinderbeschermingsverdragArt. 800 lid 3 RvArt. 1:241 BWArt. 262-268 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voogdij over kinderen na intrekking Nederlanderschap moeder en detentie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 19 november 2019 om voorlopige voogdij over twee minderjarige kinderen die recent met hun moeder vanuit Syrië via Turkije in Nederland aankwamen. De moeder is de enige ouder met gezag, maar haar Nederlandse nationaliteit was op 31 oktober 2019 ingetrokken en zij is in vreemdelingendetentie geplaatst.

De kinderen verblijven feitelijk bij een oom en tante van moederszijde die positief zijn gescreend voor pleegzorg. De kinderrechter oordeelde dat het gezag feitelijk niet kan worden uitgeoefend door de moeder en dat spoedeisende beschermende maatregelen noodzakelijk zijn ter waarborging van de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

De kinderrechter besloot daarom Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met de voorlopige voogdij te belasten en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De zitting voor verdere behandeling is vastgesteld op 2 december 2019, waarbij ook de moeder, Raad en pleegouders worden opgeroepen.

De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag omdat de kinderen zich op Nederlands grondgebied bevinden. Het verzoek is gedaan in een spoedeisende situatie waarbij direct hulp en gespecialiseerde zorg noodzakelijk zijn vanwege de extreme omstandigheden waaraan de kinderen zijn blootgesteld.

Het hoger beroep tegen deze beschikking kan binnen drie maanden worden ingesteld door de verzoeker, belanghebbenden of andere betrokkenen via het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland wordt belast met de voorlopige voogdij over de kinderen vanwege de detentie en het ingetrokken Nederlanderschap van hun moeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz
Zaaksgegevens: C/09/583724 / FA RK 19-8567
Datum uitspraak: 20 november 2019

Beschikking van de kinderrechter

Voorlopige voogdij; spoedvoorziening

in de zaak naar aanleiding van het op 19 november 2019 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]voor zover bekend geboren op [geboortedag 1] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]voor zover bekend geboren op [geboortedag 2] 2016,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
hierna tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de moeder,
geëmigreerd, thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .

Het procesverloop

De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 19 november 2019, mondeling en buiten kantooruren, beslist dat Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland wordt belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 20 november 2019 te 17:00 uur.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen;
  • de mondelinge informatie van de Raad, telefonisch verkregen op 20 november 2019.

Feiten

De kinderrechter leidt het volgende af uit de beschikbare informatie:
  • De vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is onbekend.
  • De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
  • De Nederlandse nationaliteit van de moeder is op 31 oktober 2019 ingetrokken.
  • De kinderen verbleven tot oktober 2019 met de moeder in Syrië.
  • De kinderen zijn samen met de moeder op 19 november 2019 met het vliegtuig geland op Schiphol vanuit [plaats 1] Turkije.
  • De kinderen verblijven thans feitelijk bij een oom en tante van moederszijde in Nederland.

Verzoek

Het verzoek strekt er toe Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek strekt tevens tot toepassing van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op grond waarvan direct een beslissing kan worden gegeven als een verhoor op een zitting niet kan worden afgewacht zonder direct en ernstig gevaar voor de kinderen.

Beoordeling

Rechtsmacht
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 11 van Pro het Verdrag van 19 oktober 1996 (Trb. 1997, 299) inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheden en maatregelen ter bescherming van kinderen, ook genoemd het Haags Kinderbeschermingsverdrag (hierna: HKBV). Ingevolge artikel 11, eerste lid, HKBV zijn de autoriteiten van de verdragsstaat op welk grondgebied het kind zich bevindt, bevoegd om in alle spoedeisende gevallen alle beschermende maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn. Deze bevoegdheid is van toepassing ten aanzien van een kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een niet-verdragsluitende staat buiten de Europese Unie. De gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt geacht te zijn gelegen in Syrië, nu de kinderen daar vermoedelijk zijn geboren en daar tot voor kort met de moeder hebben gewoond. Voor zover bekend verbleven zij op door Islamitische Staat (IS) bezet grondgebied te [plaats 2] in Syrië en na de val van [plaats 2] in het Noord-Syrische vluchtelingenkamp [kamp] tot oktober 2019. Het onderhavige verzoek is gedaan nadat het vliegtuig met de kinderen en de moeder vanuit Turkije is geland op Nederlands grondgebied, hetgeen maakt dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Gelet op de feiten en de omstandigheden waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bevinden is er sprake van een spoedeisend geval waarvoor beschermende maatregelen noodzakelijk zijn in het belang van de kinderen. Op grond van artikel 15 HKBV Pro wordt de bevoegdheid van artikel 11 HKBV Pro uitgeoefend onder toepassing van het interne recht.
Nu op grond van de artikelen 262-268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen, is de rechter in Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek ingevolge artikel 269 Rv Pro.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
Op grond van de inhoud van het verzoekschrift gaat de kinderrechter er op dit moment vanuit dat het wettelijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] feitelijk niet wordt, of kan worden, uitgeoefend. De kinderrechter overweegt hiertoe dat de Nederlandse nationaliteit van de moeder op 31 oktober 2019 door de Nederlandse overheid is ingetrokken. Als gevolg hiervan is aan de moeder bij haar aankomst in Nederland op 19 november 2019 geen toestemming verleend om zich, als ongewenste vreemdeling, op Nederlands grondgebied te bevinden. Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare informatie kan afleiden is de moeder thans in volledige beperking gedetineerd (vreemdelingendetentie) in een Penitentiaire Inrichting. Dat maakt dat de kinderrechter het aannemelijk acht dat zij het ouderlijk gezag over de kinderen voorlopig niet kan uitoefenen.
Teneinde de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen behartigen, acht de kinderrechter het, op grond van artikel 1:241 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dringend en onverwijld noodzakelijk om in gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien. Daartoe is redengevend dat de veiligheid van de kinderen gewaarborgd moet worden en er zicht moet worden gehouden op hun ontwikkeling. De kinderen verblijven in een netwerkpleeggezin, zijnde bij een oom en tante van moederszijde. Het gezin is op voorhand positief gescreend voor deze pleegzorgplaatsing. De inzet van professionele hulpverlening is noodzakelijk om de kinderen de veiligheid, warmte en stabiliteit te bieden die zij nu hard nodig hebben. De oom en de tante staan open voor alle nodige hulpverlening en zij hebben een ondersteunend sociaal netwerk.
Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe is redengevend dat er directe hulp en begeleiding noodzakelijk is voor de kinderen bij aankomst in Nederland. De kinderen zijn blootgesteld aan extreme omstandigheden en er zijn ernstige zorgen over hun gezondheid, ontwikkeling en welzijn. Vermoedelijk is er direct gespecialiseerde zorg voor hen nodig.
Het verhoor zal plaatsvinden op een nader te noemen zitting. De kinderrechter verzoekt de Raad om ter zitting (juridische) informatie te geven over de afstamming, de gezagssituatie en het Nederlanderschap van de kinderen. Daarnaast verzoekt de kinderrechter de Raad om informatie te verschaffen over de verblijfsstatus van de moeder, in verband met de intrekking van haar Nederlanderschap, over de mogelijke strafrechtelijke vervolging en de gevolgen die dit zal hebben voor de kinderen.
Derhalve zal – met toepassing van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
belast Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor het overige aan tot de zitting van
2 december 2019 te 14:30 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
  • de Raad voor de Kinderbescherming;
  • Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
  • de moeder;
  • de oom en de tante van moederszijde als informant.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.M.E. Bernini, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.