ECLI:NL:RBDHA:2019:14302
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU wegens onvoldoende bewijs zorg- en opvoedingstaken
Eiser, met de Ethiopische nationaliteit, vroeg via zijn partner een faciliterend visum aan op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Dit visum werd geweigerd omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij de verzorgende ouder is van hun twee minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit.
Tijdens de zitting voerde eiser aan dat hij de biologische vader is en betrokken is bij de dagelijkse gang van zaken binnen het gezin, onderbouwd met doopaktes, foto's en reisgegevens. Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde kerkelijke doopaktes onvoldoende bewijs zijn voor het vaderschap en dat de foto's en reisdocumenten niet aantonen dat eiser daadwerkelijk zorgtaken verricht. Ook ontbrak bewijs van zodanige afhankelijkheid dat het onthouden van verblijf zou leiden tot gedwongen vertrek van de kinderen uit de EU.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.