ECLI:NL:RBDHA:2019:14139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op faciliterend visum op grond van de Verblijfsrichtlijn wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke verblijf
Eisers hebben een aanvraag ingediend voor faciliterende visa op grond van de Verblijfsrichtlijn om samen met een referent in Nederland te verblijven voor vakantie. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag geweigerd en het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank vastgesteld dat eisers bij de aanvraag en het bezwaar geen kopie van het paspoort van de referent hebben overgelegd, waardoor niet kon worden aangetoond dat de referent binnen de reikwijdte van de Verblijfsrichtlijn valt. Pas in het beroep werd een kopie van het Britse paspoort van de referent ingediend, maar dit was te laat voor het bestreden besluit.
Daarnaast is niet aangetoond dat eisers en de referent gezamenlijk in Nederland zullen verblijven. Alleen vliegtickets werden overgelegd, maar geen bewijs van gezamenlijk verblijf, zoals een hotelreservering. Het eerdere overgelegde document had betrekking op een andere periode en was niet relevant. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een hotelreservering niet in strijd is met de Verblijfsrichtlijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het faciliterende visum wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijk verblijf onder de Verblijfsrichtlijn.