De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2018, vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende acceptatie van noodzakelijke zorg door de moeder. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, woont met de minderjarige in een moeder-kindhuis voor moeders met LVB-problematiek, maar weigert vrijwillige plaatsing in een ander moeder-kindhuis met 24-uurs toezicht.
De kinderrechter concludeert dat er onvoldoende informatie is om een ondertoezichtstelling voor een jaar toe te wijzen, maar dat er wel een ernstig vermoeden bestaat dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling is vervuld. Gezien de zorgen over de opvoedsituatie en het niet naleven van begeleidingsafspraken door de moeder, is voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk.
De minderjarige wordt daarom van 3 december 2019 tot 3 maart 2020 voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. De Raad zal in deze periode onderzoek doen naar de noodzaak van een definitieve ondertoezichtstelling. De zaak wordt aangehouden tot vlak voor het einde van de voorlopige maatregel voor een nieuwe beoordeling op basis van een schriftelijke rapportage.