ECLI:NL:RBDHA:2019:13429
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar
Eiser, met de Indonesische nationaliteit, verbleef onrechtmatig in Nederland nadat zijn visum op 6 oktober 2017 was verlopen. Op 29 januari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser stelde dat het besluit disproportioneel was, dat tijdens het gehoor onvoldoende aandacht was besteed aan zijn persoonlijke en medische situatie, en dat het besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn opgebouwde sociale banden in Nederland en Schengenlanden.
De rechtbank oordeelde dat eiser onrechtmatig verbleef en dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 terecht zijn opgelegd. De vertrekverklaring van de Internationale Organisatie voor Migratie toonde aan dat eiser Nederland vrijwillig had verlaten. Ondanks zijn vertrek had eiser nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat hij tijdens het gehoor in shock verkeerde en dat zijn medische situatie niet was meegenomen, omdat hij dit niet had onderbouwd met medische gegevens. Ook de bewering dat hij sociale banden had opgebouwd werd onvoldoende onderbouwd. Het motiveringsbeginsel was niet geschonden omdat eiser tijdens het gehoor was geïnformeerd over het besluit en de mogelijkheid om bijzondere omstandigheden aan te voeren, hetgeen hij niet had gedaan.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar is ongegrond verklaard.