ECLI:NL:RBDHA:2019:13388
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardige vluchtgronden uit Algerije
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij in Algerije problemen had met personen die verband hielden met zijn broers. Hij gaf aan dat deze personen hem bedreigden en een vriend mishandelden, wat aanleiding was voor zijn vertrek. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat Algerije als veilig land van herkomst wordt beschouwd en de verklaringen van eiser niet geloofwaardig waren.
De rechtbank oordeelde dat het algemeen rechtsvermoeden geldt dat Algerije veilig is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk bescherming nodig heeft. De rechtbank vond het ongeloofwaardig dat eiser geen concrete details kon geven over de problemen, terwijl zijn broers nog steeds in Algerije wonen zonder problemen. Ook weegt mee dat eiser geen hulp heeft gezocht bij de autoriteiten in Algerije en pas na jaren in Europa een asielaanvraag indiende.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de afwijzing voldoende heeft gemotiveerd en dat eiser niet voldoet aan de criteria voor toelating op grond van de Vreemdelingenwet. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.