Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2019 in de zaak tussen
[verzoekster] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Overwegingen
Beslissing
VK
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, een Britse staatsburger die sinds 2009 in het Verenigd Koninkrijk woont en werkt, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris om haar duurzaam verblijf in Nederland te beëindigen. Zij stelde dat haar regelmatige bezoeken aan Nederland haar afwezigheid niet onderbraken en dat zij daarom haar verblijfsrecht niet had verloren.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster haar hoofdverblijf en centrum van belangen naar het Verenigd Koninkrijk heeft verplaatst en dat dit een reëel verblijf aldaar betreft. De rechtbank volgde de uitleg van artikel 16, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn dat afwezigheid niet slechts fysieke afwezigheid betekent, maar de verplaatsing van het centrum van belangen.
De rechtbank zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat de uitleg van de relevante bepalingen voldoende duidelijk is. Ook achtte zij de Brexit geen reden voor een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het duurzaam verblijf van verzoekster is terecht beëindigd.