ECLI:NL:RBDHA:2019:13006
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende op 26 juli 2019 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Finland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser eerder een aanvraag in Finland had ingediend. Finland stemde in met het verzoek om eiser terug te nemen.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat verweerder de aanvraag snel afhandelde terwijl hij nog medische documenten wilde overleggen. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende tijd had gehad om documenten te verzamelen en dat het ontbreken van concrete tijdsaanduidingen geen uitstel rechtvaardigde.
Daarnaast stelde eiser dat op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening een uitzondering moest worden gemaakt vanwege de medische situatie van zijn moeder en zus in Nederland. De rechtbank vond dat verweerder terecht oordeelde dat de medische verklaringen onvoldoende concreet waren en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat zijn aanwezigheid noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.