ECLI:NL:RBDHA:2019:1299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
AWB 18/8250
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:5 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaarschrift machtiging voorlopig verblijf

Eisers, allen van Eritrese nationaliteit, hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 augustus 2017 tot afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waardoor eisers beroep instelden wegens overschrijding van de beslistermijn.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn ruimschoots is overschreden en dat eisers verweerder na deze termijn in gebreke hebben gesteld. Verweerder heeft verzuimd een besluit te nemen en de hoogte van de dwangsom vast te stellen. De rechtbank stelt daarom de dwangsom vast op €1.260,- en legt een hogere dwangsom op voor elke dag overschrijding van de nieuwe termijn.

Gelet op de omstandigheid dat verweerder een DNA-onderzoek wil uitvoeren, bepaalt de rechtbank een bijzondere beslistermijn van zeven weken. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter A.K. Mireku op 22 januari 2019.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de dwangsom vastgesteld en verweerder opgedragen binnen zeven weken een besluit te nemen onder dreiging van een hogere dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/8250

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

22 januari 2019 in de zaken tussen

[eiser 1]

geboren op [geboortedatum 1] 1974,
[persoonsnummer 1] ,
[eiser 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2006,
[persoonsnummer 2]
[eiser 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2008,
[persoonsnummer 3] ,
[eiser 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2012,
[persoonsnummer 4] ,
allen van Eritrese nationaliteit, hierna te noemen eisers,
(gemachtigde mr. J.M. Niemer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaarschriften.
Verweerder heeft een schriftelijke reactie gegeven.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.260,-;
  • draagt verweerder op binnen zeven weken na de dag van deze uitspraak een besluit op de bezwaren bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512,-..

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. [Mevrouw] (referente) heeft een asielstatus in Nederland. Namens eisers heeft zij een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor hun nareis (de mvv-nareis). Deze aanvraag is met het besluit van 2 augustus 2017 afgewezen. Hiertegen is bezwaar ingediend. Tot op heden is geen beslissing op het bezwaar genomen.
3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
4. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen 19 weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken. [3]
5. De rechtbank stelt met partijen vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eisers verweerder na die beslistermijn in gebreke hebben gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep zijn gegaan.
6. Het beroep is dus gegrond.
7. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd conform artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. [4]
8. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Verweerder had in dit geval tot uiterlijk 19 september 2018 de tijd om een besluit te nemen, zonder een dwangsom te verbeuren. Omdat vanaf 19 september 2018 meer dan 42 dagen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid van de Awb, zijn verstreken, bedraagt de door verweerder verbeurde dwangsom het maximale bedrag van € 1.260,-
9. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [5]
10. In het verweerschrift heeft verweerder aangekondigd dat hij een beslistermijn nodig heeft van 14 weken, omdat hij een DNA-onderzoek wil opstarten. Eiser heeft hiertegen ingebracht dat verweerder in november 2018 al een DNA-onderzoek zou opstarten, maar dat dat nog steeds niet is gebeurd. Eisers vinden een termijn van zeven weken redelijk. Gelet op het betoog van eisers en op de omstandigheid dat een DNA-onderzoek tijd vergt, acht de rechtbank hier bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van de standaard termijn van twee weken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk binnen zeven weken na de dag van deze uitspraak een beslissing op bezwaar moet nemen.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,– verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,–. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat verweerder een langere dan gebruikelijke beslistermijn krijgt.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier, op 22 januari 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 76, eerste lid van de Vreemdelingenwet.
4.Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb
5.artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.