ECLI:NL:RBDHA:2019:1279
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers, een Moldavisch echtpaar met vier minderjarige kinderen, dienden in Nederland een asielaanvraag in nadat zij eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hadden ingediend. De Duitse autoriteiten zijn op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van hun asielaanvragen. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvragen niet in behandeling en verzocht Duitsland om terugname van eisers.
Eisers voerden aan dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid zou betekenen vanwege tekortschietende medische zorg voor hun jongste zoon, slechte opvangomstandigheden, gebrek aan toegang tot een advocaat in Duitsland, en druk om terug te keren naar hun land van herkomst. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank stelde vast dat medische zorg in Duitsland beschikbaar is en vergelijkbaar met die in Nederland, en dat klachten over opvang en juridische bijstand bij de Duitse autoriteiten moeten worden ingediend. De stellingen van eisers boden geen grond voor het oordeel dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-inbehandelingneming van de asielaanvragen is ongegrond verklaard.