ECLI:NL:RBDHA:2019:12760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
2 december 2019
Zaaknummer
NL19.24989
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Verordening (EU) nr. 604/2013Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 17 juli 2019 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder stelde dat Italië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar op 22 juni 2017 al een asielverzoek had ingediend. Nederland verzocht Italië om terugname, waarop Italië niet tijdig reageerde.

Eiser voerde aan dat Nederland discretionair had moeten besluiten zijn aanvraag toch in behandeling te nemen vanwege bijzondere kwetsbaarheid en het ontbreken van vertrouwen in Italië. De rechtbank volgt echter de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog steeds geldt, mede omdat er geen structurele tekortkomingen zijn in de opvang en procedure in Italië.

Hoewel eiser psychische klachten heeft en doorverwezen is naar GGZ, is hij nog niet in specialistische behandeling en heeft hij onvoldoende aangetoond bijzonder kwetsbaar te zijn in de zin van het Tarakhel-arrest van het EHRM. Daarom was het niet nodig dat verweerder individuele garanties vroeg aan Italië.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.24989

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.24990, plaatsgevonden op 14 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen H.M. Bodden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Op 17 juli 2019 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uit gegevens van Eurodac is gebleken dat eiser op 22 juni 2017 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Italië. Nederland heeft Italië verzocht om eiser terug te nemen. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat [1] .
3. Op wat eiser hiertegen heeft ingebracht, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser stelt dat verweerder op basis van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om zijn asielaanvraag alsnog aan zich te trekken, omdat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraken van onder andere 19 december 2018 [2] en 12 augustus 2019 [3] evenwel bevestigd dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgaan. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat er in Italië geen sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangomstandigheden en de asielprocedure, en evenmin dat asielzoekers zonder meer een reëel risico lopen op behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] of artikel 4 van Pro het Handvest [5] .
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten opzichte van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het rapport [6] en persbericht [7] van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) dat eiser heeft ingebracht leiden niet tot een ander oordeel. Met betrekking tot het rapport volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat dit stuk inhoudelijk geen andere informatie bevat dan de rapportage die reeds door de Afdeling is meegewogen. In het recentere persbericht wordt beargumenteerd dat de situatie voor Dublinclaimanten in Italië in de afgelopen tijd niet is verbeterd, echter wordt in dit bericht niet de stelling ingenomen dat sprake is van een verslechtering van de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die reeds door de Afdeling is beoordeeld.
7. Eiser stelt dat uit de overgelegde kopie van zijn patiëntendossier en de brief van de GGZ Drenthe blijkt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het Tarakhel-arrest [8] . Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft ‘interim measures’ getroffen waaruit kan worden opgemaakt dat verweerder mogelijk individuele garanties dient te vragen aan de Italiaanse autoriteiten voordat bijzonder kwetsbare asielzoekers kunnen worden overgedragen. Deze rechtbank heeft in verschillende uitspraken geconcludeerd dat de behandeling van bijzonder kwetsbare Dublinclaimanten dient te worden aangehouden in afwachting van de uitspraak van het EHRM [9] .
8. Uit eisers patiëntendossier blijkt dat hij bij de huisarts is geweest vanwege kennelijk psychische klachten. Door de huisarts is hij doorverwezen naar de GGZ Drenthe. De GGZ heeft deze doorverwijzing bevestigd in de brief van 19 augustus 2019, en daarbij vermeld dat eiser binnen vier a vijf maanden een intakegesprek zal hebben.
Nu eiser derhalve momenteel niet onder specialistische behandeling staat, en zelfs de intake nog niet heeft plaatsgevonden, heeft eiser met alleen de doorverwijzingsbrief en het patiëntendossier niet aangetoond dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het Tarakhel-arrest. Verweerder heeft dan ook geen individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten hoeven vragen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 25, tweede lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening)
4.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
6.Rapport Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien, SFH, van 8 mei 2019
7.Persbericht Italien – Betreuung nach wie vor ungenügend, SFH, van 23 september 2019
8.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712)
9.Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 oktober 2019 (NL19.23358)