ECLI:NL:RBDHA:2019:1267

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2019
Publicatiedatum
13 februari 2019
Zaaknummer
NL19.262
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) 604/2013Art. 27 Verordening (EU) 604/2013Art. 20 Richtlijn 2013/32/EUArt. 6 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 10 november 2018 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser voerde aan dat Duitsland niet aan Europese richtlijnen voldoet, slechte opvang biedt, geen gratis rechtsbijstand verleent en dat zijn recht op een eerlijk proces niet wordt gewaarborgd. Tevens vreesde hij indirect refoulement.

De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Duitsland geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. De stellingen over schending van het EVRM, het Handvest en de Procedurerichtlijn werden niet gevolgd, mede omdat toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan zijn van de reële kans van slagen van de procedure. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat deze voorwaarden in Duitsland niet worden nageleefd.

Ook de overige beroepsgronden faalden omdat eiser niet aannemelijk maakte dat Duitsland niet aan zijn verplichtingen voldoet en dat hij niet kon klagen bij Duitse autoriteiten. De rechtbank vond dat de staatssecretaris terecht geen gebruik maakte van zijn bevoegdheid om de aanvraag in Nederland te behandelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.262

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1988 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 10 november 2018 een asielaanvraag ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 11 juli 2013 in Zwitserland en op 16 mei 2014 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 26 november 2018 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). De Duitse autoriteiten hebben hiermee, op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, op 29 november 2018 ingestemd.
3. Eiser betoogt dat Duitsland niet alle Europese richtlijnen naleeft. Zo houdt Duitsland zich niet aan de Opvangrichtlijn, nu eiser in Duitsland slechte opvang ontving zonder medische voorzieningen. Eiser voelde zich niet veilig in Duitsland en heeft geen vertrouwen meer in de Duitse autoriteiten. Eiser verwijst naar een rapport van AIDA, Update 2017, ‘Country Report: Germany’, waaruit blijkt dat de faciliteiten die in opvangcentra in Duitsland worden aangeboden vaak niet voldoen aan de basisbehoeften en dat er vaak gebrek is aan privacy. Eiser wilde klagen, maar hij wist niet waar en hoe dat moest. Eiser spreekt geen Duits of Engels, waardoor hij geen informatie over de klachtenprocedure kon opvragen. Eiser voert voorts aan dat hij in Duitsland geen recht heeft op gratis rechtsbijstand zoals vastgelegd in artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, waardoor hij zijn klachten niet aan een advocaat kan voorleggen. Eiser vindt dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat zijn beroep in Duitsland een reële kans van slagen zal hebben en dat hij dus recht heeft op gratis rechtsbijstand. Het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt door de Duitse autoriteiten derhalve niet nageleefd. Eiser vreest indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland. Eiser heeft vertrouwen in de autoriteiten van Zwitserland en Nederland, maar niet in die van Duitsland. Eiser verzoekt de Nederlandse autoriteiten om zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 17, van de Dublinverordening in behandeling te nemen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen.
4.2
Eisers stelling dat sprake is van schending van artikel 3 en Pro 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en schending van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) omdat eiser in Duitsland geen recht had op gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan.
4.3
Eiser heeft met zijn overige beroepsgronden voorts niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft zijn stellingen daaromtrent niet voldoende onderbouwd. Voor zover eiser heeft gesteld dat Duitsland handelt in strijd met de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser daarover bij de Duitse autoriteiten dient te klagen en dat niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk was. Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering – dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest.
4.4
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen. Van indirect refoulement is derhalve geen sprake. Gelet op voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Nobel, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.