Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2019 in de zaken tussen
[eiser], v-nummers [V-nummer] en [V-nummer] , eisers
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben op 14 mei 2018 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend met de stelling dat zij in hun woonplaats vanwege samenwerking met de Verenigde Staten worden bedreigd door IS-leden. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eisers onvoldoende informatie konden geven over hun directe leefomgeving en uit een taalanalyse bleek dat zij hun herkomst onjuist hadden opgegeven.
Eisers betwisten dit en overleggen documenten die hun herkomst uit de opgegeven stad zouden bevestigen. De rechtbank stelt echter vast dat de taalanalyse zorgvuldig en concludent is en dat eisers geen contra-expertise hebben laten verrichten om de twijfel weg te nemen. Ook de paspoorten en verklaringen van eisers ondersteunen hun stelling onvoldoende.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de herkomst van eisers ongeloofwaardig heeft geacht en dat de aanvragen daarom op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 als kennelijk ongegrond konden worden afgewezen. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de asielaanvragen afgewezen wegens misleiding over de herkomst.