Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
15 november 2019.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een politieambtenaar met 43 dienstjaren, diende een aanvraag in voor plaatsing op de functie van operationeel expert tactische opsporing, gewaardeerd op schaal 9. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende ten minste één jaar feitelijke werkzaamheden verrichtte die wezenlijk afwijken van zijn huidige functie senior tactische opsporing (schaal 8).
De RAAF-commissie en de Bezwaaradviescommissie concludeerden dat eiser niet voldeed aan de niveaubepalende elementen van de functie operationeel expert, met name organisatorische coördinatie en het zelfstandig opstellen van plannen van aanpak zonder formats. Eiser leverde onvoldoende bewijsstukken, zoals verslagen van functioneringsgesprekken, om zijn werkzaamheden te onderbouwen.
Eiser voerde aan dat hij niet aan alle niveaubepalende elementen hoefde te voldoen en dat bepaalde werkzaamheden organisatorisch anders waren belegd. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag afwees omdat eiser niet voldeed aan de bewijsverplichting en onvoldoende onderbouwing leverde.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat het aan de ambtenaar is om met objectieve stukken aannemelijk te maken dat hij de gevraagde werkzaamheden feitelijk heeft verricht. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor plaatsing op de functie van operationeel expert.