ECLI:NL:RBDHA:2019:1121
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in verblijfsvergunningzaak zelfstandige
Verzoeker, een Turkse nationaliteit hebbende zelfstandige, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als zelfstandige bij een vennootschap onder firma. De staatssecretaris wees deze aanvraag af, waarna verzoeker bezwaar maakte en een voorlopige voorziening verzocht om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag van verzoeker niet was voorgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, terwijl dat bij een medevennoot wel was gebeurd. Verzoeker beriep zich op het gelijkheidsbeginsel en stelde dat sprake was van willekeur.
Omdat de staatssecretaris dit beroep niet had weerlegd, woog het belang van verzoeker om in Nederland te blijven en het bezwaar af te wachten zwaarder dan het belang van directe uitzetting. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.