De zaak betreft een geschil tussen huurders en verhuurder over de terugbetaling van een borgsom van €2.600,00 na de oplevering van een gemeubileerde woning. De huurders vorderen de terugbetaling van de borgsom met wettelijke rente, terwijl de verhuurder een tegenvordering instelt wegens vermeende schade en ontbrekende zaken in de woning.
De kantonrechter stelt vast dat de huurders de woning mogelijk met gebruikssporen hebben achtergelaten, maar dat de verhuurder hen niet schriftelijk in gebreke heeft gesteld met een termijn om herstel te verrichten. De e-mail van de verhuurder bevatte wel een opsomming van schadeposten, maar geen termijn voor herstel, waardoor geen sprake is van verzuim van de huurders.
Daarom wordt de vordering van de huurders tot terugbetaling van de borgsom toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018. De tegenvordering van de verhuurder wordt afgewezen omdat de grondslag niet is komen vast te staan. De gevorderde advocaatkosten van de huurders worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.