ECLI:NL:RBDHA:2019:10482
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Syrische nationaliteit hebbende meerderjarige, verzocht via zijn moeder om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat er geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond. Hoewel de familierechtelijke relatie werd aangenomen, ontbrak een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder.
Eiser stelde dat hij emotioneel, fysiek en financieel afhankelijk was van zijn moeder, mede door zijn medische en psychologische aandoeningen en de oorlogssituatie in Syrië. De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris alle relevante feiten zorgvuldig had meegewogen, waaronder het feit dat eiser al jaren zonder zijn moeder in Syrië woont en dat hij zorg ontvangt van vrienden. Financiële afhankelijkheid was niet aannemelijk gemaakt en stond haaks op eerdere verklaringen.
De rechtbank verwierp het beroep en vond dat de hoorplicht niet was geschonden omdat vooraf redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.