ECLI:NL:RBDHA:2019:10213
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Syriër en voormalig medewerker van de Algemene Inlichtingendienst, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij zijn gezinsleden die in Nederland verblijven. Verweerder wees het verzoek af op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, waaronder het neerslaan van demonstraties met buitensporig geweld.
De rechtbank oordeelt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ook toepasselijk is in de nareisprocedure en dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan ernstige mensenrechtenschendingen. De verklaringen van eiser zelf, ambtsberichten en openbare bronnen ondersteunen dit standpunt. Het beroep van eiser dat hij gedwongen was deel te nemen en dat de bewijslast te zwaar is, wordt verworpen.
Verder weegt de rechtbank het belang van de openbare orde zwaarder dan het belang van eiser bij gezinshereniging, ook gelet op artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en de ongewenstverklaring.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot machtiging voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.