Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:10007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2019
Publicatiedatum
24 september 2019
Zaaknummer
AWB 18/8639
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens verleende machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM

Eisers hadden een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, welke door verweerder bij besluit van 28 augustus 2018 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit bij besluit van 31 oktober 2018 gehandhaafd. Hiertegen stelden eisers beroep in bij de rechtbank.

Tijdens de procedure verleende verweerder op 3 september 2019 aan eisers een mvv op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit gaf eisers dezelfde verblijfsrechten als een mvv in het kader van nareis, het onderwerp van het beroep. De rechtbank oordeelde dat hierdoor het procesbelang van eisers was komen te vervallen, omdat zij met het beroep niet in een materieel gunstigere positie konden komen.

De rechtbank nam daarbij mee dat het verschil tussen een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro en een verblijfsvergunning asiel niet tot een ander oordeel leidt, aangezien beide vergunningen afhankelijke verblijfsvergunningen zijn ten behoeve van gezinshereniging met de in Nederland verblijvende referent. Bovendien is het voor eisers mogelijk om na binnenkomst in Nederland een asielaanvraag in te dienen indien zij menen dat een asielvergunning een sterker recht oplevert.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde verweerder in een deel van de proceskosten van eisers, waarbij het griffierecht werd vergoed. De uitspraak werd mondeling gedaan op 12 september 2019 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verlening van een mvv op grond van artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/8639
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] , v-nummer [nummer] , eiser 1,

[eiser 2], v-nummer [nummer] , eiser 2,
[eiseres], v-nummer [nummer] , eiseres,
samen eisers
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft verweerder de aanvragen van eisers tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Bij besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Eisers hebben een nadere reactie gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Eisers en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512,-;
  • bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 170,- aan hen moet vergoeden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij besluit van 3 september 2019 aan eiser 2, eiseres en hun twee andere minderjarige kinderen een mvv op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verleend. Om die reden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.
2. Op grond van artikel 1a, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 is een mvv een visum voor de toegang tot Nederland voor verblijf van meer dan 90 dagen. De bij besluit van 3 september 2019 aan eiser 2 en eiseres verleende mvv geeft hen dezelfde rechten als een mvv in het kader van nareis, waar de onderhavige procedure over gaat.
3. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers met het door hen ingestelde beroep niet in een materieel gunstigere positie kunnen geraken. Dat de nu verleende mvv kan leiden tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, terwijl een mvv in het kader van nareis kan leiden tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning asiel is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Beide zijn namelijk afhankelijke verblijfsvergunningen ten behoeve van gezinshereniging met eiser 1. Voor zover eisers menen dat een asielvergunning een sterker recht oplevert, bestaat de mogelijkheid om hun aanspraken daarop te laten toetsen door na inreis in Nederland daartoe strekkende asielaanvragen in te dienen. Dat eisers daarvoor een extra procedure moeten doorlopen, leidt niet tot een procesbelang.
4. De rechtbank betrekt in haar oordeel de toezegging van verweerder ter zitting dat, wanneer eisers die aanvragen indienen, verweerder het extra tijdsverloop ten opzichte van de onderhavige aanvraag sinds de meerderjarigheid van eiser 1 niet aan eisers zal tegenwerpen.
5. Omdat er geen procesbelang meer is, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard en behoeven de gronden van het beroep geen bespreking.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in een deel van de door eiser gemaakte proceskosten. Omdat het procesbelang is komen te ontvallen na het instellen van het beroep, maar voorafgaand aan de zitting, kent de rechtbank wel proceskosten toe voor het indienen van het beroepschrift, maar niet voor het verschijnen ter zitting. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank de proceskosten daarom vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het griffierecht vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. R. Ortlep, rechters, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2019.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan.