ECLI:NL:RBDHA:2018:9855
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting minderjarige kinderen
Verzoekster heeft namens haar drie minderjarige kinderen een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen, nadat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hun verblijfsvergunningen had ingetrokken en een aanvraag voor een verblijfsvergunning humanitair niet tijdelijk had afgewezen.
De rechtbank heeft het onderliggende beroep ongegrond verklaard, waardoor niet langer werd voldaan aan de connexiteitsvereiste uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor was het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen en geen proceskosten aan de zijde van verzoekster toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep ongegrond is verklaard.