ECLI:NL:RBDHA:2018:9721
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inreisverbod en terugkeerbesluit
Verzoeker is geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, uitgevaardigd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening die de uitvoering van het inreisverbod zou opschorten totdat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank heeft het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De voorzieningenrechter overweegt dat het wachten op de prejudiciële uitspraak niet leidt tot een ineffectief rechtsmiddel, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak. Verzoekers persoonlijke belangen, zoals vakantie en het bezoeken van voetbalwedstrijden, zijn onvoldoende concreet en zwaarwegend om het inreisverbod op te schorten.
Daarom weegt het belang van verweerder bij het handhaven van het inreisverbod zwaarder dan het belang van verzoeker bij opschorting. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter I. de Greef op 9 augustus 2018 te Haarlem.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het inreisverbod wordt afgewezen.