ECLI:NL:RBDHA:2018:9592

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2018
Publicatiedatum
7 augustus 2018
Zaaknummer
NL17.11797
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vw 2000Art. 62a Vw 2000Art. 6.1 Vb 2000Art. 5.1b Vb 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onmiddellijke vertrektermijn wegens risico op ontduiking toezicht vreemdeling

Eiser, een Amerikaanse staatsburger, werd bij besluit van 18 oktober 2017 geïnformeerd dat hij de Europese Unie onmiddellijk moest verlaten vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. Hij stelde beroep in tegen dit terugkeerbesluit en betoogde dat geen onmiddellijke vertrektermijn had mogen worden opgelegd omdat hij alle medewerking verleende en geen risico liep om zich aan het toezicht te onttrekken.

De rechtbank overwoog dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 het risico op ontduiking van toezicht kan worden aangenomen indien ten minste twee specifieke gronden aanwezig zijn. Verweerder stelde dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, zich ontdaan had van reisdocumenten, geen vaste verblijfplaats had en niet over voldoende middelen beschikte.

Eiser betwistte deze feiten niet, maar stelde dat hij spoedig zou terugkeren en medewerking verleende. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was om het risico op ontduiking te weerleggen. Ook het bezwaar tegen het opleggen van een inreisverbod faalde, omdat geen inreisverbod was opgelegd.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.11797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.M.A. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2017 is eiser in kennis gesteld van het feit dat hij de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, zoals bedoeld in artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (het terugkeerbesluit).
Eiser heeft tegen het terugkeerbesluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1963 en heeft de Amerikaanse nationaliteit.
2. Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen onmiddellijke vertrektermijn gegeven had mogen worden, nu er geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Hij wenst immers zo spoedig mogelijk terug te keren naar de Verenigde Staten en heeft dan ook alle mogelijke medewerking verleend. In afwachting van zijn geplande vlucht op 19 oktober 2017 had eiser ook een nacht in de opvanglocatie [opvanglocatie] in [plaats] kunnen verblijven. Dit had meer in de rede gelegen dan aan hem een terugkeerbesluit met een nul dagen vertrektermijn uit te vaardigen. Aangezien geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 had aan eiser geen dwingendrechtelijk inreisverbod opgelegd kunnen worden.
3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000, stelt Onze Minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.
Ingevolge artikel 62, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan de minister de voor een vreemdeling geldende termijn van vier weken waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, verkorten dan wel bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden aangenomen indien ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000, op de vreemdeling van toepassing zijn.
4.2.
Verweerder heeft in het terugkeerbesluit overwogen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich daartoe gebaseerd op de gronden dat eiser:
(zware feiten)
- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
(lichte feiten)
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.3.
Bovenstaande gronden zijn in beginsel reeds voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft niet betwist dat deze gronden zich in zijn geval voordoen. In hetgeen eiser wel naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij graag wenst terug te keren naar zijn land van herkomst en hiertoe alle mogelijke medewerking heeft verleend, is geen grond gelegen om anders te oordelen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 6.1, eerste lid, van het Vb 2000 in samenhang met artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000, een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft verweerder dan ook kunnen bepalen dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten.
5. Wat betreft de door eiser aangevoerde gronden tegen het opleggen van een inreisverbod, overweegt de rechtbank dat aan eiser geen inreisverbod is opgelegd. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 augustus 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of plaatsing daarvan in het digitale dossier.