Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopEiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 mei 2018 (bestreden besluit).
Overwegingen
“3.1 Volgens artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011 L 337; de Kwalificatierichtlijn) mogen de lidstaten van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. Volgens artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013 L 180; de Procedurerichtlijn), zien de lidstaten erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken. Deze bepalingen waren voorheen achtereenvolgens - in gelijke bewoordingen - opgenomen in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG (PB 2004 L 304) en - zonder vermelding van ‘het EASO’ en ‘relevante internationale mensenrechtenorganisaties’ - in artikel 8, tweede lid, van hoofdstuk II, van Richtlijn 2005/85/EG (PB 2005 L 326).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag te beslissen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,- (duizendentwee euro).